Video's met bijbelfragmenten over het leven van Jezus Christus, de Messias

Bergrede Matteüs 5,6 en 7

Bergrede Matteüs 5,6 en 7

Rick Photo
Rick
5 months
7 Views
0 0
Categorie:
Rating:
Beschrijving:
Zaligsprekingen

1 Toen Jezus deze menigte zag, ging Hij de berg op en, nadat Hij zich had neergezet, kwamen zijn leerlingen bij Hem.  2 Hij nam het woord en onderrichtte hen aldus:
   3     Zalig de armen van geest,  want aan hen behoort het Rijk der hemelen.
   4     Zalig de treurenden,  want zij zullen getroost worden.
   5     Zalig de zachtmoedigen,  want zij zullen het land bezitten.
   6     Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid,  want zij zullen verzadigd worden.
   7     Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden.
   8     Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien.
   9     Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
   10   Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid, want hun behoort het Rijk der hemelen.
   11   Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil
 
   12 Verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel. Zo immers hebben ze de profeten vervolgd die voor u geleefd hebben.  Zout der aarde. Licht der wereld 13 Gij zijt het zout der aarde. Maar als het zout zijn kracht verliest, waar mee zal men dan zouten? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden.  14 Gij zijt het licht der wereld. Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg ligt!  15 Men steekt toch ook niet een lamp aan om ze onder de korenmaat te zetten, maar men plaatst ze op de standaard, zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn.  16 Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is. 
 
Jezus' verhouding tot de wet

17 Denkt niet dat Ik gekomen ben om Wet en Profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om de vervulling te brengen.  18 Want voorwaar, Ik zeg u: Eerder nog zullen hemel en aarde vergaan, dan dat een jota of haaltje vergaat uit de Wet, voordat alles geschied is.  19 Wie dus een van die voorschriften, zelfs het geringste, opheft en zo de mensen leert, zal de geringste geacht worden in het Rijk der hemelen, maar wie ze onderhoudt en leert zal groot geacht worden in het Rijk der hemelen.  20 Ik zeg u: Als uw gerechtigheid die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft, zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen.

 21 Gij hebt gehoord, dat tot onze voorouders is gezegd: Gij zult niet doden. Wie doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht.  22 Maar Ik zeg u: Al wie vertoornd is op zijn broeder, zal strafbaar zijn voor het gerecht. En wie tot zijn broeder zegt: raka, zal strafbaar zijn voor het Sanhedrin, en wie zegt dwaas, zal strafbaar zijn met het vuur van de hel.  23 Als gij uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft,  24 laat dan uw gave voor het altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave aan te bieden.  25 Haast u het eens te worden met uw tegenpartij, zolang ge nog met hem onderweg zijt; anders zou uw tegenpartij u wel eens aan de rechter kunnen overleveren, en de rechter u aan de gerechtsdienaar, en zoudt gij in de gevangenis worden geworpen.  26 Voorwaar, Ik zeg u: Ge zult daar niet uitkomen, voordat ge tot de laatste penning hebt betaald.

27 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult geen echtbreuk plegen.  28 Maar Ik zeg u: Al wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd.  29 Indien uw rechteroog u aanstoot geeft, ruk het uit en werp het van u weg; want het is beter voor u, dat een van uw lichaamsdelen verloren gaat dan dat heel uw lichaam in de hel wordt geworpen.  30 En als uw rechterhand u aanstoot geeft, hak ze af en werp ze van u weg, want het is beter voor u, dat een van uw lichaamsdelen verloren gaat dan dat heel uw lichaam in de hel terecht komt.

31 Ook is er gezegd: Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidingsbrief geven.  32 Maar Ik zeg u: Wie zijn vrouw verstoot, behalve in geval van ontucht, brengt haar ertoe echtbreekster te worden; en wie een verstoten vrouw huwt, begaat echtbreuk.

33 Eveneens hebt gij gehoord, dat tot onze voorouders gezegd is: Gij zult geen valse eed doen, maar gij zult voor de Heer uw eden houden.  34 Maar Ik zeg u in het geheel niet te zweren; noch bij de hemel, want dat is de troon van God;  35 noch bij de aarde, want dat is zijn voetbank; noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote Koning.  36 Ook bij uw hoofd moet gij niet zweren, want gij kunt niet een haar wit of zwart maken.  37 Maar uw ja moet ja zijn en uw neen, neen; en wat daar nog bij komt, is uit den boze.

38 Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Oog om oog, tand om tand.  39 Maar Ik zeg u geen weerstand te bieden aan het onrecht, doch als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem dan ook de andere toe.  40 En als iemand u voor het gerecht wil dagen en uw onderkleed afnemen, laat hem dan ook het bovenkleed.  4 1En als iemand u vordert een mijl met hem te gaan, ga er dan twee met hem.  42 Geef aan wie u vraagt, en wend u niet af als iemand van u lenen wil.

43 Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uw naaste beminnen en uw vijand haten.  44 Maar ik zeg u: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen,  45 opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel, die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.  46 Want als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij dan? Doen de tollenaars niet hetzelfde?  47 En als gij alleen uw broeders groet, wat voor buitengewoons doet gij dan? Doen de heidenen dat ook niet?  48 Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is. 
 
Aalmoes

1 Denkt er om: beoefent uw gerechtigheid niet voor het oog van de mensen om de aandacht te trekken; anders hebt gij geen recht op loon bij uw Vader die in de hemel is.  2 Wanneer gij dus een aalmoes geeft, bazuin het dan niet voor u uit, zoals de huichelaars doen in de synagoge en op straat, opdat zij door de mensen geprezen worden. Voorwaar Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen.  3 Als gij een aalmoes geeft, laat uw linkerhand dan niet weten, wat uw rechter doet,  4 opdat uw aalmoes in het verborgene blijve en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. 
 
Gebed

5 Wanneer gij bidt, gedraagt u dan niet als de schijnheiligen, die graag in de synagogen en op de hoeken van de straten staan te bidden om op te vallen bij de mensen; voorwaar Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen!  6 Maar als gij bidt, ga dan in uw binnenkamer, sluit de deur achter u en bidt tot uw Vader die in het verborgene is en uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.  7 Als gij bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden, zoals de heidenen, want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden.  8 Volgt hun voorbeeld dus niet na, want voordat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt.  9 Gij moet daarom zo bidden:
    Onze Vader die in de hemel zijt,
    Uw Naam worde geheiligd;
   10 Uw Rijk kome, Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
   11 Geef ons heden ons dagelijks brood.
   12 En vergeef ons onze schulden,  zoals ook wij vergeven hebben aan onze schuldenaren.
   13 En leid ons niet in bekoring, maar behoed ons voor het kwaad.
   14 Want als gij aan de mensen hun fouten vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; 
   15 maar als gij niet vergeeft aan de mensen, zal ook uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven. 
 
Vasten

16 Wanneer gij vast, zet dan geen somber gezicht zoals de schijnheiligen; zij verstrakken hun gezicht om de mensen te tonen dat zij aan het vasten zijn. Voorwaar, Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen.  17 Maar als gij vast, zalft dan uw hoofd en wast uw gezicht,  18 om niet aan de mensen te laten zien dat gij vast, maar vast voor uw Vader die in het verborgene is en uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. 
 
Het aardse in vergelijking met het hemelse

19 Verzamelt u geen schatten op aarde, waar ze door mot en worm vergaan en waar dieven inbreken om te stelen;  20 maar verzamelt u schatten in de hemel, waar ze niet door mot of worm vergaan en waar dieven niet inbreken om te stelen.  21 Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.

22 De lamp van het lichaam is het oog. Wanneer dus uw oog helder is, zal heel uw lichaam verlicht zijn.  23 Is echter uw oog slecht, dan is heel uw lichaam duister. Indien dus zelfs uw innerlijk licht duister is, hoe erg zal dan de duisternis zijn!

24 Niemand kan twee heren dienen: hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten. Gij kunt niet God dienen en de mammon.  25 Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd voor uw leven, wat ge zult eten en wat ge zult drinken, en ook niet voor uw lichaam, wat ge zult aantrekken. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam niet meer dan de kleding?  26 Let eens op de vogels in de lucht: ze zaaien niet en maaien niet en verzamelen niet in schuren, maar uw hemelse Vader voedt ze. Zijt gij dan niet veel meer dan zij?  27 Trouwens, wie van u is in staat met al zijn tobben aan zijn levensweg een el toe te voegen?  28 En wat maakt gij u zorgen over kleding? Kijkt naar de leliën in het veld: hoe ze groeien. Ze arbeiden noch spinnen.  29 Toch zeg Ik u: Zelfs Salomo in al zijn pracht was niet gekleed als een van hen.  30 Als God nu het veldgewas dat er vandaag nog staat en morgen in de oven wordt geworpen, zo kleedt, hoeveel te meer dan u, kleingelovigen?  31 Maakt u dus geen zorgen over de vraag: wat zullen wij eten of wat zullen wij drinken?  32 Want dat alles jagen de heidenen na. Uw hemelse Vader weet wel dat gij al deze dingen nodig hebt.  33 Maar zoekt eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid: dan zal dat alles u erbij gegeven worden.  34 Maakt u dus niet bezorgd voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt voor zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen leed. 
 
Het oordeel over anderen

1 Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.  2 Want met het oordeel dat gij velt, zult gij geoordeeld worden en de maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken.  3 Waarom kijkt gij naar de splinter in het oog van uw broeder en merkt gij de balk niet op in uw eigen oog?  4 Of hoe kunt ge tot uw broeder zeggen: laat mij de splinter uit uw oog halen, en zie, in uw eigen oog zit de balk nog!  5 Huichelaar, haal eerst die balk uit uw eigen oog, en dan zult ge scherp genoeg zien om de splinter te kunnen verwijderen uit het oog van uw broeder.  6 Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij ze niet met hun poten vertrappen, zich omkeren en u verscheuren. 
 
De kracht van het gebed

7 Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en ge zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan.  8 Want al wie vraagt, verkrijgt; wie zoekt, vindt en voor wie klopt, doet men open.  9 Of is er wel iemand onder u die zijn zoon een steen zal geven als hij om brood vraagt?  10 Of een slang wanneer hij vraagt om een vis?  11 Als gij dus, ofschoon gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal dan uw Vader die in de hemel is, het goede geven aan wie Hem daarom vragen.  12 Alles, wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doet dat ook voor hen. Dat is Wet en Profeten. 
 
De nauwe poort

13 Gaat binnen door de nauwe poort; want de weg die naar de ondergang voert is wijd en breed, en velen zijn er die hem inslaan.  14 Hoe nauw toch is de poort en hoe smal de weg die voert naar het leven, en weinigen zijn er die hem vinden. 
 
Valse profeten

15 Wacht u voor de valse profeten, mensen die tot u komen in schaapskleren, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn.  16 Aan hun vruchten zult ge ze kennen. Plukt men soms druiven van dorens of vijgen van distels?  17 Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de zieke boom brengt slechte vruchten voort.  18 Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, noch een zieke boom goede vruchten.  19 Iedere boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.  20 Aan hun vruchten dus zult ge ze kennen.

21 Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is.  22 Velen zullen op die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer, hebben wij niet in uw Naam geprofeteerd en hebben wij niet in uw Naam duivels uitgedreven en in uw Naam veel wonderen gedaan?  23 Maar dan zal Ik hun onomwonden verklaren: Nooit heb Ik u gekend; gaat weg van Mij, gij die ongerechtigheid doet! 
 
Het huis op de rots

24 Ieder nu, die deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt, kan men vergelijken met een verstandig man die zijn huis op rotsgrond bouwde.  25 De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de storm stak op en zij stortten zich op dat huis, maar het viel niet in, want het stond op gegrondvest op de rots.  26 Maar ieder die deze woorden van Mij hoort, doch er niet naar handelt, kan men vergelijken met een dwaas die zijn huis bouwde op het zand.  27 De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de storm stak op en zij beukten dat huis, zodat het volledig verwoest werd.”  28 Toen Jezus deze toespraak geëindigd had, was het volk buiten zichzelf van verbazing over zijn leer.  29 Want Hij onderrichtte niet zoals hun schriftgeleerden, maar als iemand die gezag bezit. 
 
 
Volgende Automatisch afspelen